Meneer mijn moeder

Posted on June 10, 2013

‘De vrouw die op zondag het vlees sneed’. Zo noem ik mijn moeder soms grappend. Samen lachen we ons een kriek over huishoudens waar vadertje lief verhongert als moeder de vrouw niet thuis is. Stakkers. Nee… Neem dan mijn vader.

Een echte man. Eén die zwoer bij katoenen luiers.Tot mijn achtste was mijn vader huisman. Omdat het zo uitkwam. Mijn moeder had een goede baan en iemand moest voor de kleine en de hond zorgen. En omdat mijn ouders elkaar het beste gunden bleef hij thuis en ging zij werken. En ons huishouden was er geen van Jan Steen.

Mijn vader waste, kookte, deed boodschappen en kluste. Tegenwoordig weet ik dat hij diep in zijn hart ook liever meer tijd buitenshuis had doorgebracht, maar ik ben hem dankbaar dat hij me weigerde over te geven aan de kinderopvang. Elke keer als hij me ophaalde kreeg hij een roodblauw gehuilde baby terug. Ik vond het niks en hij ook niet.

Onze eerste weken samen gingen niet van een leien dakje. Mijn moeder vergat in de haast een keer extra flesjes achter te laten. Een paar uur later belde er een boze man naar haar werk met de constatering: ‘Ik heb verdomme geen tieten!’ Ik kan verder me weinig keren herinneren dat mijn vader in opvoedkundige paniek raakte. Misschien die ene keer dat ik hem tussen de middag vroeg of hij pannenkoeken voor me wilde bakken. ‘Hoe moet dat?’ Hij richtte een slagveld aan in de keuken, maar ik kreeg mijn zin.

Het ongeloof dat me ten deel valt als ik dit over mijn Surinaamse vader vertel – dank u voor stereotyperingen als lui en afwezig – steekt. Natuurlijk heeft elke stereotypering ergens wortels, maar het wordt belachelijk als ze ten onrechte gevoed blijven worden tot ze de realiteit overwoekeren. Soms vraag ik me af of zijn emancipatie cultureel bepaald is. Mijn ooms en neven heb ik tenslotte ook nooit naar een vieze luier zien kijken of ze water zagen branden. Anderzijds zat mijn pa lange tijd op een Nederlands internaat, ver van zijn geboorteland. Ook geen slechte voedingsbodem voor zelfstandigheid.

Wat de grond voor zijn huisvaderschap ook was, ik kwam niks tekort. En dat is het enige dat telt. Van mijn vroegste kinderjaren herinner ik me: spaghetti tussen de middag, mijn zitje achterop pa’s hoge fiets en Donald Ducks, haastig nagetekend tijdens een strijkbeurt. Van mijn moeder herinner ik me uitgebreide zondagse maaltijden, hulp bij werkstukken en overhoringen. Bij ons thuis was de rolverdeling alles behalve traditioneel. Toch, geen van mijn beide ouders heb ik het ooit horen betitelen als bijzonder of baanbrekend.

Als ik nu in vrouwenbladen lees over hippe papa’s die eindelijk ook iets in huis doen – lees: eens per week een luier verschonen of met een buggy op pad gaan – krijg ik kromme tenen. Gezapige, halfzachte überpapa’s als toonbeeld van emancipatie. Mi mang! Je bent dertig jaar te laat, mijn pa was je voor in ‘79. En hij bleef tenminste een kerel. Steek die veer in je kont terug in de struisvogel waar hij vandaan komt. Want ook hij was je voor, struisvogels delen de broedzorg. Haal je kop uit het zand en je kind van de crèche.

Stereotyperingen, schmereotyperingen. Cultuur, schmultuur. Eigenlijk hoop ik gewoon dat ik op een dag de Linda opensla en niet tegen de zelfgenoegzame bakkes van superpapa-posterboy Kluun aan kijk. Diep in mijn hart hoop ik zelfs dat bladen als de Opzij – hoewel het bij vlagen fijn leesvoer is – overbodig worden. Ik heb eerstehands meegemaakt hoe het is als ouders traditionele rolverdelingen aan hun laars lappen. En weet je wat? Dat is zo gek nog niet.

Geschreven voor Miss Mundo